Vaktermen Meubels

Art Deco stijl gekarakteriseerd door geometrische vormen en heldere, uitgesproken kleuren, populair van ca. 1918 tot 1940. De naam is ontleend aan de Exposition des Arts Décoratifs et Industrielles te Parijs.

Art Nouveau of Jugendstil beweging en decoratieve stijl gekarakteriseerd door kronkelige bochten en vloeiende lijnen, asymmetrie en bloem- en bladmotieven, voornamelijk van ca. 1890 tot 1910.

Arts-and-Craftsbeweging door Wiliam Morris geleide 19de-eeuwse kunstzinnige beweging, die de terugkeer van vakmanschap en eenvoud van ontwerp voorstond, als reactie op de massaproductie.

Bauhaus Duitse school van architectuur en toegepaste kunst, opgericht door Walter Gropius in 1919. De stijl wordt gekarakteriseerd door sobere, geometrische vormen en moderne materialen zoals buisstaal. 

Belle √Čpoque ('mooie tijd') overdadig versierde stijl in de mode van het einde van de 19de eeuw tot de Eerste Wereldoorlog.

Beslag alle metalen delen van een meubel, zoals scharnieren, slot, slotplaat, enz.

Blindhout goedkopere houtsoort, toegepast als basismateriaal van een meubel dat later gefineerd wordt.

Bolpoot kogelronde voet onder meubelen en klokken, vanaf de 17de eeuw.

Boullewerk decoratief inlegwerk genoemd naar André-Charles Boulle, gewoonlijk met gebruik van schildpad en diverse andere materialen zoals messing, tin, ivoor en paarlemoer. De techniek beleefde een nieuwe bloei in Engeland tussen ca. 1815 en 1840, onder de naam 'Buhl'.

Buffet naam voor een tweedelig dressoir, een opvolger van de oude credens. 

Canapé Frans zitmeubel voor twee of meer personen met een beklede rug en zitting, open arm en vaak rijk houtsnijwerk.

Capitonneren methode van stoffering die door het doorstikken het uiterlijk heeft van gerangschikte kussentjes. Vanaf het midden van de 19de eeuw op meubelen toegepast.

Chaise-longue beklede stoel met verlengde zitting, zodat men de benen erop kan leggen.

Commode Franse benaming voor een lage ladekast.

Compagniemeubelen in Indonesi√ę door inheemse vaklieden in opdracht vervaardigde meubelen in Europese stijl. Zowel Portugese, Britse als Nederlandse stijlen zijn te herkennen, de meubelen zijn vaak voorzien van rijk snijwerk.

Consoletafel wandtafel.

Coulissentafel uitschuifbare tafel met extra bladen om de tafel te vergroten. Oude exemplaren met de originele tussenbladen zijn zeer geliefd.

Dresser van de credens afgeleid Brits meubel voor keukengebruik; in Amerika ook wel een ladekast met spiegelopbouw.

√Čbeniste Frans voor meubelmaker, genoemd naar het gebruik van ebbenhout.

Etagère tafeltje van twee of drie verdiepingen om iets op uit te stallen of gerechten te presenteren.

Fauteuil Franse benaming voor een armstoel.

Fineer dun plakje duur en vaak exotisch hout, meestal gelijmd op een goedkopere inlandse houtsoort, het zgn. blindhout. Vroeg fineer werd gezaagd, en kon wel drie milimeter dik zijn; dankzij de mechanisatie konden later wel papierdunne vellen hout geproduceerd worden.

Galerie houten of metalen opstaande rand rond de bovenrand van een tafel, kast of dienblad.

Gebogen front naar buiten gewelfd front van een kast.

Inleggen techniek waarbij een materiaal (bijvoorbeeld marmer, hout, metaal, schildpad, parelmoer) in uitsparingen in een ander, normaliter hout, wordt aangebracht.

Jugendstil Duitse aanduiding voor art nouveau, genoemd naar het M√ľnchense blad Jugend.

Kapregel een andere benaming voor bovenregel van een stoel.

Kroonlijst bovenste (sier)lijst van een meubelstuk.

Kruispoottafel tafel met schraagvormige gekruiste poten, verbonden met een lange middenregel. Typisch volksmeubel.

Kubisme vroeg-20ste-eeuwse kunststroming gekenmerkt door vervorming, hoekigheid, geometrische rangschikking en elementen uit Afrikaanse sculpturen.

Kunstnijverheid ambachtelijke reactie op de toegenomen industrialisatie en daardoor verarmde vormen en technieken. Tegen het einde van de 19de eeuw in Nederland doorgebroken, na de Arts and Crafts in Engeland en het Kunstgewerbe in Duitsland, maar hier meer als een poging tot combinatie van esthetiek en machine.

Lamineren methode waarbij platen hout op elkaar worden gelijmd terwijl de nerf in verschillende richtingen loopt, hierdoor ontstaat een materiaal dat lichter en dunner is dan massief hout, synoniem voor meubelmaker John Henry Belter.

Linnenkast kasten met planken voor het opbergen van linnengoed en kleding.

Mariage een meubelstuk samengesteld uit delen van twee of meer andere stukken, vaak van dezelfde periode.

Marqueterie het gebruik van fineer en andere materialen om decoratieve patronen in hout aan te brengen.

MDF dichte houtvezelplaat gebruikt in meubelbouw.

Multiplex gelamineerd hout waarvan de lagen om en om haaks op elkaar gelijmd zijn.

Parqueterie geometrische marqueterie gemaakt van verschillende houtsoorten.

Penantkastje kastje bestemd voor de penant, de ruimte tussen twee ramen. In gebruik vanaf het einde van de 17de eeuw. Veel gebruikt in combinatie met een penantspiegel.

Politoer spiegelgladde meubelafwerking, gebasseerd op in alcohol opgeloste schellak, in vele dunne laagjes aangebracht.

Postmodernisme reactie op het modernisme, begon in de jaren vijftig, bevorderde de herintroductie  van heldere kleuren en decoratieve architectuurmotieven.

Regel horizontale lat in een stoelconstructie.

Secretaire schrijfkastje met voorklep die neergeklapt een schrijfblad vormt.

Sport verbindings- en stabilisatieregel tussen de poten van een stoel of tafel.

Vlam patroon gevormd door de nerf van het hout.

Zittingregel geraamte dat de stoelzitting draagt en dat de poten bijeen houdt.

Zwaluwstaarten soort houtverbinding met in elkaar grijpende delen.