Biografieën kunstenaars sieraden

Fabergé, Carl beroemde Franse juwelier (1846-1920), werkte voornamelijk aan het hof te St.-Petersburg tot de Russische Revolutie (1917). Beroemd zijn de met enorme zorg voor detail gedecoreerde paaseieren, en zijn toepassing van de emailleertechniek.

Gebroeders Reggers in 1919 openden Fons en Rein Reggers de firma Gebroeders Reggers in Amsterdam. De broers waren afkomstig uit een familie van Brabantse goudsmeden. Aanvankelijk werkten de broers nog samen met J.F. Hamburger, maar spoedig maakten ze zelf naam. Ze hadden een strikte werkverdeling: Fons was de ontwerper en Rein was verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering. Het bedrijfje leverde zijn producten aan juweliers en kunsthandelaren. De sieraden van Reggers waren opvallend. De sieraden zijn vaak gemaakt uit zilver en hebben accenten in rood koraal. Kenmerkend voor de sieraden van Fons Reggers zijn het gehamerde oppervlak en asymetrische krullende of gebogende lijnen. De sieraden sluiten aan bij internationale art nouveau en vooral de expressionistische vormgeving van de Amsterdamse School. Door het succes van de firma Reggers kreeg het bedrijf ook na de oorlog de kans om in goud te werken en maakte het ook klokken, kandelaars en zelfs altaarhekken. In 1960 werd de firma Reggers overgenomen door Dutch Chainworks, een dochtermaatschappij van Van Kempen & Begeer in Voorschoten. In 1985 ging ook Dutch Chainworks failliet.

Firma Begeer Carel Joseph Begeer was werkzaam bij de 'Utrechtsche Zilverfabriek van S. en J. van Lier & Zn en G.F.W. Bauer', toen hij in 1868 de Utrechtsche Fabriek van Zilverwerken van C.J. Begeer oprichtte. Begeer produceerde uitsluitend zilveren serviezen, zilveren bestekken, en zilveren siervoorwerpen in historische stijlen. Een typerend voorbeeld voor zowel de cliëntèle als de vormgeving van de producten van die tijd is het 'surtout de table', een tafelservies, gemaakt in Lodewijk XV-stijl, dat Maurits Lens in 1888 in opdracht van Koning Willem III ontwierp. Als een van de weinige Nederlandse fabrieken van edelmetaal was Begeer geïnteresseerd in de vernieuwingen in de vormgeving rond 1900. De zoon van Carel J. Begeer, Cornelis L.J. Begeer, was in die tijd als firmant werkzaam bij de zilverfabriek. Rond 1900 produceerde de Fabriek onder zijn leiding zilveren voorwerpen in art nouveau-stijl. Stiefzoon Carel J.A. Begeer was zelf ontwerper en nam in 1904 de artistieke leiding van de fabriek over. Zijn producten tonen Romeinse en naturalistische ornamenten en middeleeuwse invloeden, al liet ook zijn Duitse opleiding in Jugendstil zich in zijn ontwerpen gelden. Ook ontwerpen van (sier)kunstenaars Jan Eisenloeffel, Harm Ellens, Chris van der Hoef, George Lantman en Erich Wichmann werden door Begeer geproduceerd. In 1919 fuseerde, de inmiddels Koninklijke, Begeer met de firma Van Kempen & Zonen en de firma J. Vos. Vanaf 1925 fabriceerde het bedrijf producten die op een minder arbeidsintensieve wijze, machinaal en in serie, konden worden vervaardigd. Vanaf 1927 waren Christa Ehrlich en later ook de Duitse Emmy Roth als ontwerpsters aan de fabriek verbonden. De jaren dertig waren net als vele andere bedrijven moeilijk voor de fabriek en produceerde zij ook Keltum pleet en roestvrijstalen couverts. De naoorlogse schaalvergrotingen dwongen de firma in 1960 met zijn belangrijkste concurrent Gerritsen & Van Kempen te fuseren. Tegenwoordig is dit bedrijf gevestigd in Zoetermeer.

Agterberg, Cris is, vooral gedurende het Interbellum, op vele terreinen van de kunstnijverheid actief geweest. De zoon van een handarbeider in een gipsfabriek besluit reeds jong dat hij kunstenaar wil worden. Als het hem in Nederland niet lukt als modelleur aan de slag te komen, werkt hij enige tijd bij een firma in het Duitse Eberfeld. Hier volgt hij avondlessen aan de plaatselijke Kunstgewerbeschule en onder meer cursussen pottenbakken, boekbinden en ciseleren. In 1919 opent hij in Utrecht een kunstnijverheidsatelier voor 'moderne sculpturen en decoratieve kunst'. Agterberg zag zichzelf vooral als beeldhouwer. Hij maakt bronzen sculpturen van allerlei mens- en dierenfiguren in een aan de Amsterdamse School verwante stijl, die een combinatie is van symbolisme en expressionisme. In de jaren twintig werkt Agtenberg vooral in tin en blank metaal, waarvan hij gebruiksvoorwerpen en sieraden maakt in modernistische vormen, vaak met een gehamerd oppervlak.

Fouquet, George edelsmid, geboren in 1862 Parijs - overleden in 1957 in Parijs. In 1895 nam Fouquet de juwelierszaak van vader over waarvoor hij al tien jaar sieraden had ontworpen. Hij zou al snel een van de beste edelsmeden van de Franse art nouveau worden. In 1925 koos de juweliersvakvereniging hem daarom tot voorzitter van de Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Modernes in Parijs. Hij inspireerde zijn sieraden zowel op Egyptische, Japanse, oriëntaalse kunst als op ontwerpen van de Jugendstil kunstenaars Samuel Grasset en Alfons Maria Mucha.

Henry Clemens Van de Velde was een Belgische kunstschilder, ontwerper, vormgever en architect. Samen met Victor Horta kan hij beschouwd worden als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de art nouveau en wordt ook de apostel van het functionalisme genoemd. Vanaf de eerste jaren van de 20e eeuw zou hij een toonaangevende rol spelen in de architectuur en de decoratieve kunsten, vooral in Duitsland. Van de Velde studeerde schilderkunst bij Charles Verlat aan de kunstacademie in Antwerpen en bij Carolus-Duran in Parijs. Hij schilderde in neo-impressionistische stijl pointillisme en werd in 1889 lid van de kunstenaarsgroep Les XX in Brussel. Vanaf 1892 verliet hij de schilderkunst en legde hij zich toe op de toegepaste kunsten edelsmeedkunst porselein en bestekken, modeontwerpen, tapijt- en stoffendesign en ook op met onder meer de bouw van zijn eigen woning in Ukkel, huis Bloemenwerf. Van de Velde werd beïnvloed door de Engelse Arts-and-craftsbeweging. John Ruskin en William Morris waren een van de eerste architecten en meubelontwerpers die in een abstracte stijl met gebogen lijnen werkten. Van de Velde verzette zich tegen het kopiëren van historische stijlen en koos beslist voor een originele (in de zin van oorspronkelijke) vormgeving. Rond de eeuwwisseling in 1899 vestigde hij zich in Duitsland en werd er hoofd van de Weimar school voor kunst en kunstnijverheid (later het Bauhaus. Na de Tweede Wereldoorlog werd Van de Velde beschuldigd van collaboratie. Tot een proces kwam het echter nooit, maar Van de Velde ging wel in vrijwillige ballingschap en trok zich terug in het Zwitserse Oberägeri, waar hij zijn memoires schreef (Die Geschichte meines Lebens, Piper, Munich 1962).